Ode aan de Hell

419.1De tent het kasteel van de kampeerder…, sleurhut van de fietser… Ik bezit er veel. Licht, oud, kapot, toch “iets” te zwaar en één voor het héle gezin, maar die zit vast aan een aanhangwagen en doet daarom buiten mededinging mee naar het stelen van mijn gunst. Mijn favoriet is toch mijn Noorse tent van de makers van Helsport. Deze “Hell” zoals ik haar liefkozend noem, mag de laatste jaren mee als ik er “alleen” op uittrek. De hele dag veilig opgesloten in één van de bananen langs de zitting, wachtend totdat ik eindelijk ons ideale plekje in het wild heb gevonden. Dan mag ze eindelijke haar stokken uitrekken,om daarna de huid strak te spannen.
Soms wat onstuimig met de wind mee bewegend, buig ik mee. Veilig en geborgen nestel ik me in haar schoot, sneeuw of kou deren me niet. Kwade lieden zien me niet. Zij “de Hell” ziet de sterrenhemel, soms donder en bliksem. Ik droom ervan, liggend tussen zacht dons.
Een enkele keer komt ze overdag uit de foedraal om als een scherm te dienen tegen te overvloedige regenval. En als het, “licht onder de kant wordt”, nat en huiverig in een zak gepropt te worden.

Maar de jaren gaan tellen. Afgelopen seizoen werd ze nog met veel te duren nieuwe stokken verwend, “maar ze is het waard”. En van een lichte incontinentie krijgt ze ook wat last. Ik neem het allemaal nog voor lief, de liefde is nog groot.
Ik bind je gewoon weer op de roeifiets dit jaar, als ik weer een doel heb bedacht om samen naar toe te fietsen…
“Wij met ons beide”.

Richard Bruijn