Fietsterrorisme

“Terrorisme steeds meer een product van eigen bodem” publiceerde laatst het Minsterie van Binnenlandse Zaken. “De kans dat een Nederlander geconfronteerd wordt met een terroristische aanslag is op dit moment alleszins reëel”, aldus hetzelfde Ministerie die waakt over onze veiligheid.

De ware terrorist schuilt in mijzelf, diep, diep van binnen en het komt op de fiets in alle hevigheid naar buiten als een ongecontroleerd ‘explosief projectiel’. Door rood rijden, verplichte fietspaden in de stad zoveel mogelijk mijden. Bij het inhalen van de wat tragere fietser niet vriendelijk bedanken, wanneer ze na een hard “ga aan de kant ….” uiteindelijk plaats maken, om er dan vervolgens vlak langs te accelereren. Ruim baan maken voor tegenliggers? heb zeker recht op de helft van de weg! En natuurlijk ongevraagd voorrang nemen, wanneer mij dat beter past. Een spoor achterlatend van, ja wat? ‘Kan het mij schelen….’

Ben de ultieme nachtmerrie voor de schoolgaande fietsende jeugd, die met hun volgepakte tassen met boeken op hun bagagedrager, zwoegend op weg naar school of huiswaarts keren, waar een kopje thee klaar staat met een Maria kaakje.
Een heilige ben ik dus niet, engelen vliegen niet met me mee als ik laag over de weg suis alsof ik door de duivel in eigen persoon word achternagezeten. Met een maniakale blik in de ogen. Mijn ‘fietswet’ is wil en zeg eens dat het niet zo is. Het schuim op de bek. Ze durven me amper aan te kijken als ik langs snel.
Geen leuke gevatte jeugdige opmerkingen meer, die van erotische aard zijn (de roeifiets is schijnbaar een sensueel vervoermiddel) of het bewonderd uitroepen van; “die fiets wil ik ook”. Hoewel er elk jaar met de nieuwe lichting ‘brugpiepers’ die nog niet op de hoogte zijn van welk gevaar ze lopen op weg naar de ‘grote school”, heb ik van schoolgaande jeugd kortom nog nauwelijks last onderweg. Van de ‘veilig’ in auto zittende ouders des te meer, maar dat is weer een verhaal apart, daar doe ik even het zwijgen toe.

Toch kon ik gisteren me nog even (lekker) laten gaan.
Ik reed geruisloos en onopgemerkt zoevend een groep schoolpubers achterop, die er weer een dagje school achter de rug hadden en ongetwijfeld weer veel kennis hadden opgedaan wat betreft taal, rekenen en de maatschappij. Ze dronken al slingerend, cola uit blik. Was ze al tot bijna drie meter genaderd, me net aan het aanzetten voor de ‘oerkreet’, om ze daarmee de berm in te jagen, toen één der toekomstige oudedagsvoorziening betaler het geledigde blikje achterloos met een weliswaar sierlijk gebaar in de sloot naast de weg gooide. Net bukkend onder het door de lucht vliegend blikje, bleef de kreet achterwege, maar daar voor in de plaats zette ik mij roeifiets dwars voor de jongens op de weg, tot grote schrik van de slungels, die met piepende remmen tot stilstand kwamen. Richtte vervolgens al mijn agressie en mijn imponerende lichaam op het schriele ventje, die zonet het “bermmilieu” had verrijkt met wat ijzerwerk. Intimiderend ga ik vlak voor hem staan en schreeuw hem toe “waar is dat goed voor, je kan het toch thuis in de vuilnisbak gooien, JA”. Of iets van die strekking… Het slaat in als een BOM!
Het joch schiet helemaal vol en barst in tranen uit en zijn maten staan er ook maar wat lullig bij. Snikkend vraagt hij, “Moet ik het weer uit de sloot halen” “dacht ik wel brom ik hem toe”. Stap weer op de roeifiets, geef een haal aan het stuur en druk met de voeten hard de slee van me af en zie in mijn ooghoeken dat hij het ‘blik’ inderdaad uit de nattigheid gaat halen.

Zolang het Ministerie nog niet ingrijpt, blijf ik mooi terroristje spelen.

Richard Bruijn