
STOKER 1- 'iemand die (vooral het vuur van eene stoommachine) stookt; 2- brander, -jenever 3- stokeband, opruier.'
Aldus mijn enigszins verouderde 'Woordenboek Der Nederlandsche Taal'.
Stoker? Situatieschets: Theo en ik zitten met de ruggen naar elkaar toe op een door Derk gemaakte raceroeifietstandem. Theo de stuurman, vooruit roeiend en ik als de stoker, zoals het eigenlijk ook hoort; roeiend achteruit! In de slipstream Derk meezuigend op zijn roeifiets. Af en toe een verdwaalde ligfietser of racefietser die zo'n sleepje niet laat lopen, maar uiteindelijk ons met 'aanhangfiets Derk' toch moet laten gaan.
Op dit moment heeft Theo het stuur erg stevig in handen en heeft alle auto's, stoepranden, paaltjes, dieren, fietsers, en wat al niet meer op onze weg komt keurig ontweken. Mijn gezichtsveld beperkt zich naar achteren. Al wat voor Theo het heden is en uiteindelijk geweest, bereikt uiteindelijk mijn blik. Leef in een soort verleden tijd, het is al gebeurd. Voltooid verleden tijd... 'Das war einmal.'
1- 'Rammen' doe ik, wat moet ik anders, roei me een waas voor de ogen. Wil steeds harder op weg naar de toekomstige tijd.
Stook het vuur op, de machine begint goed te draaien, de ketel komt behoorlijk op stoomÖ 200, 300, ...400, 600, ...1200 kilometers lang.
2- Overgeven aan ... valt niet mee. Altijd je eigen ding gedistilleerd uit het leven, en nu niet meer autonoom je eigen weg in kunnen slaan. Nu alleen nog eigenzinnig mijn eigen versie van de routebeschrijving roepen, niet zeker weten of dit tot iets leidt of dat het een zinloze weg blijkt te zijn.
3- Steeds opruiend 'toe, ik wil voort, harder, steeds maar door' Theo die probeert te temmen. "Rustig aan, rustig.. Lichte slag".
Met me veertig jaren nog altijd de 'jonge hond'.
Derk die me diep en enigszins bezorgd in de ogen kijkt. 'Verschiet niet je kruit, straks sta je droog.'!
Stuurman, stoker en aanhang, zij gaan voort.
Rich